genomineerden

Genomineerden 2011
Gerbert van Beek  (ABK, Maastricht), Thomas Heyer (KABK, Den Haag), Robert van Middendorp (Artez Hogeschool voor de Kunsten, Zwolle), Alexandra Mohlmann (Academie Minerva, Hanzehogeschool, Groningen), Desmond Ninaber van Eijben (AKV | St. Joost, Breda), Rosanne Talle (HKU, Utrecht),  Li Wang  (Gerrit Rietveld Academie, Amsterdam) en Sanne Zeeman (WdKA, Rotterdam).

Genomineerden

Twee winnaars!

 

Op 29 september werd door jurylid Gilian Schrofer bekend gemaakt  dat de BNI-prijs dit jaar  gewonnen is door twee jonge talenten: Thomas Heyer van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag en Desmond Ninaber van Eijben van de AKV|St. Joost in Breda. Thomas en Desmond zijn aan elkaar gewaagd. Niet alleen hun deskundigheid en talent zorgen voor een gedeelde eerste plaats, ook hun verschillende benadering van de interieurarchitectuur. Dit illustreert het brede spectrum van het vak en dat je als succesvol interieurarchitect van vele markten thuis moet zijn.

Uit het juryrapport:
"In zijn ontwerp ‘Perspective 24’, heeft Desmond Ninaber van Eijben van de St. Joost in Breda gezocht naar een interessante manier om brillen in verschillende situaties het beste tot hun recht te laten komen in een interieur dat één geheel is. Interessante perspectieven, zichtlijnen en de transformatie in de prachtige productwand vormen samen het totaalbeeld. Het ontwerp getuigt van een consequent en esthetisch interieurplan. De alsmaar terugkomende zeshoek zorgt voor consistentie en vloeiende overgangen door de brillenwinkel. Door een heldere analyse, veel test- en beslissingsmomenten, komt Desmond tot een eigen en compleet ontwerp, waarin alles lijkt te kloppen. De functionaliteit van de kasten blijft echter onduidelijk. Het gehele ontwerp verleidt en getuigt van professionaliteit."

"Het ontwerp van Thomas Heyer van de KABK in Den Haag voor een uitvaartcentrum in de oude Shell kantine in Amsterdam Noord is “een mooi drama, een beleving die je emotie raakt”, aldus Odette Ex. Thomas heeft grenzen opgezocht en zichzelf uitgedaagd om een esthetisch plan te maken dat bij het uitvaartritueel past. Het ontwerp getuigt van kwaliteit, architectonisch inzicht, gelaagdheid en professionaliteit. Het is een totaal concept dat uitmuntend wordt gepresenteerd. De verschillende schaalniveaus en detaillering zijn doordacht. De materialisering is zuiver. Het ontwerp laat een sterke interactie met de omgeving zien, met respect voor de structuur en de constructie van het bestaande gebouw. Gilian Schrofer: “Hoewel er in dit ontwerp veel aandacht is voor routing en logistiek, zouden deze onderdelen nog verder uitgewerkt mogen worden”. Bij een pas afgestudeerde interieurarchitect hoeft dan ook niet alles te kloppen."

Lees het volledige juryrapport hier.

Thomas Heyer (KABK, Den Haag)

Uitvaart aan het IJ

 

Thomas Heyer (22) is afgestudeerd aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag. Tijdens zijn studie probeerde hij zoveel mogelijk aspecten van het ontwerpvak te onderzoeken. Van stedenbouwkundige architectuur tot meubelontwerpen. “Verschillende schaalniveaus en detaillering spelen een sleutelrol binnen mijn ontwerpen en zijn ook de leidraad geweest voor mijn twee afstudeerprojecten.”

“Schuin tegenover het centraal station van Amsterdam, aan de noordoever van het IJ, ligt Overhoeks: een gebied dat tot enkele jaren geleden eigendom was van Shell. Op dit moment ondergaat het gebied een transformatie die ervoor moet zorgen dat Overhoeks net zo gaat leven als het centrum van de stad.

De oude kantine van Shell in Overhoeks is een laag gebouw in 1973 ontworpen door Arthur Staal. Vanuit het gebouw kijk je uit over het IJ. Aan de andere zijde grenst het aan een klein park, de Tolhuistuin. Dit gebouw heb ik voor mijn afstudeerproject getransformeerd tot uitvaartcentrum.

Uitvaartcentra liggen vaak buiten het centrum van de stad. We worden liever niet geconfronteerd met de dood tijdens onze dagelijkse praktijken. Maar een uitvaart is één van de belangrijkste rituelen die we kennen. Waarom zouden we dat wegstoppen? Het gebouw met aan de ene kant het IJ en de stad (het leven) en de andere kant de Tolhuistuin met zijn monumentale bomen (rust) staat op de perfecte locatie voor een uitvaartcentrum.

Het gebouw zelf zorgde nog wel voor een aantal uitdagingen. Het is namelijk erg karakteristiek voor zijn tijd met een uitgesproken vormentaal. Ik heb de keuze gemaakt om vooral de structuur en de constructie van het gebouw te respecteren en niet zozeer de jaren ’70 stijlelementen.

Routing speelt voor mij een belangrijke rol in het ritueel van het afscheid nemen. Bij dit project is de routing ook het uitgangspunt van mijn ontwerp geworden. Met de tuin, het gebouw en de omgeving als leidraad heb ik twee routings ontworpen: voor een grote en een kleine uitvaart. Deze beginnen en eindigen beide in de Tolhuistuin. Het gebouw zelf is slechts een onderdeel van de routing.

Deze ruimtelijke organisatie was de grootste uitdaging van dit project. Het bestaande gebouw is opgebouwd uit verspringende vierkante ruimtes met puntdaken van verschillende groottes. Dit zorgde organisatorisch voor de grootste problemen. Maar door de structuur aan te passen en de bestaande constructie bloot te leggen, is het mij gelukt om een logisch verhaal van de binnenruimtes te maken waarin de beleving de hoofdrol speelt.

Na het ontwerpen van de routing ontstond de rest van de architectuur vanzelf. Ik heb maar een aantal principe details ontworpen waarmee ik alle ruimtes vormgeef. Deze haken in op de bestaande constructie waardoor constant zichtbaar is hoe het gebouw, zowel het nieuwe als het oude, in elkaar zit. Dit moet samen met de afwezigheid van toegevoegde kleur (op wit na maak ik alleen gebruik van de natuurlijke kleur van de materialen) zorgen voor een heldere beleving die puur is gefocust op het leveren van rustmomenten binnen het ritueel uitvaart.”

Sanne Zeeman (WdKA, Rotterdam)

Hotel voor kinderen

 

Sanne Zeeman studeerde aan de Willem de Kooning Academie in Rotterdam. Ze vindt het bijzonder dat ze voor de BNI-prijs genomineerd is. “Na vier jaar hard werken voor mijn diploma, voelt deze nominatie als erkenning.”

“Voor mijn afstudeerproject heb ik mij laten inspireren door de Scandinavische cultuur, waar de opvoeding van kinderen een centrale plaats inneemt. Het zat mij dwars dat kinderen hier steeds meer vermaakt worden met computerspellen en tv. Daarnaast las ik een artikel in de krant dat ouders die met kinderen op vakantie gaan alleen maar hotels krijgen aangeboden waarbij de nadruk ligt op zwembaden en kinderclubs. Daarmee was mijn concept geboren: Hotel Petite Amsterdam, een hotel voor kinderen tussen de vier en tien jaar. Het kind wordt uitgedaagd en geprikkeld tot zelfstandig ontdekken. Het hotel geeft een speelse, leerzame en prettige omgeving waarbij de beleving van het kind centraal staat in de architectuur en de conceptuele vormgeving.

Omdat steden een hoge drempel zijn voor een bezoek met jonge kinderen, heb ik als locatie Amsterdam gekozen. Ouders kunnen met hun hele gezin Amsterdam bezoeken, of werkende ouders nemen hun kinderen mee. Er zijn begeleiders in het hotel voor eventuele opvang.

De ruimtes moedigen de kinderen bewust en onbewust aan om activiteiten uit te voeren, die positief bijdragen aan hun ontwikkeling. Hiermee geeft het hotelconcept niet alleen plezier maar ook een leerervaring.

Om vanuit een kindperspectief te kunnen ontwerpen, en de functionaliteit van de ruimte te doorgronden, heb ik mij verdiept in de pedagogische aspecten van ruimtes voor kinderen. In mijn scriptie kwam ik tot de conclusie dat het mogelijk is om ruimtes voor kinderen te creëren waarbij alle aspecten samen komen zoals prikkels, ontdekking, materiaal, zelfstandigheid en veiligheid. Een kind herkent dat het zijn wereld is.

Ik heb drie verschillende panden samen laten komen. Door de verschillende vloerhoogtes en bouwstijlen wordt het een dynamische en speelse ruimte. Het middelste pand dient als het hart van het hotel. Hierdoor ontstaat er een overzicht, wat belangrijk is voor een kind. Het hart van het hotel is “de kinderstad” geworden, een grote open ruimte met allemaal verschillende huisjes die elk een andere kleur en functie hebben om kinderen te stimuleren en op ontdekking te gaan.

Elk huisje staat op een verdiepingshoogte, en elk huisje heeft zijn kleur die herkenbaar is over de hele verdieping. Kleuren zijn gemakkelijk te onthouden voor kinderen, dus daarom deze keus. Tevens heb ik veel met perspectieven gewerkt om ruimtes spannend en uitdagend te maken.

De uitdaging in het ruimtelijke concept was om steeds weer nieuwe activiteiten te bedenken die stimulerend zijn voor de ontwikkeling van het kind, die speelse oplossingen maar ook veiligheid en geborgenheid geven.Ik heb in elke ruimte een andere activiteit neergezet en alle details zo ontworpen dat elk kind zelfstandig in het hotel is.

Ik heb een enorme drang om verder te gaan op de ingeslagen weg om vernieuwende ruimtelijke concepten te ontwikkelen en vooral ook te realiseren. Het gaat mij hierbij om het doorgronden van de functionaliteit en een brug te slaan naar wat een ruimte nodig heeft om die functionaliteit goed in te vullen.”

Gerbert van Beek (ABK, Maastricht)

Foodcentrum

 

Gerbert van Beek (29) studeerde aan de Academie Beeldende Kunsten/Hogeschool Zuyd in Maastricht. De nominatie van zijn afstudeerproject voor de BNI-prijs 2011 noemt hij zeer eervol. “Het geeft voldoening om mijn afstudeerproject met een groter publiek te kunnen delen.”

“In het centrum van Eindhoven staat een oude luciferfabriek. Gebouwd in 1880 was dit de derde luciferfabriek in de stad. Eindhoven speelde een belangrijke rol in de Nederlandse luciferindustrie en wordt daarom ook de Lichtstad genoemd. In de fabriek werden tot 1907 lucifers gemaakt. Daarna werd het een sigarenfabriek en vanaf 1916 een autogarage. Op dit moment doet de luciferfabriek dienst als parkeergarage.

In de loop der tijd is er flink wat veranderd. De fabriek werd verbreed, verhoogd en uitgebreid. Er omheen werden bijgebouwtjes, woningen en een hotel gebouwd. Het resultaat van deze verbouwingen is dat er een onoverzichtelijk geheel is ontstaan. De oude fabriek wordt bijna geheel aan het zicht onttrokken. Het totale gebied beslaat zo’n 10.000 m² midden in het centrum van Eindhoven.

Het interieur van de fabriek is vrijwel geheel intact gebleven. Gewelfde vloeren die worden ondersteund door gietijzeren kolommen vormen de constructie. Ook de binnenmuren zijn origineel. Ze verdelen de lange ruimte in kleinere ruimten. Hierin vonden verschillende onderdelen van het productieproces plaats.

Bij elkaar opgeteld is de luciferfabriek een industrieel gebouw met een rijke historie, unieke details en een groot achtergebied in het centrum van Eindhoven. Genoeg redenen voor mij om mijn afstudeerproject hieraan te wijden.

Mijn eerste stap was om de fabriek en haar interieur, dat al die jaren onzichtbaar is geweest voor het publiek, te openen en zichtbaar te maken. Dit heb ik gedaan door de verbreding van de fabriek ongedaan te maken. Door het terugbrengen van het gebouw in zijn originele breedte komt de hal los te staan van de fabriek en ontstaat een nieuwe doorgang naar het achtergebied. De luciferfabriek wordt op deze manier van binnenuit geopend.

De fabriek heeft in mijn ontwerp een publieke functie gekregen met het thema eten. Vroeger was eten meer aanwezig en zichtbaar in de stad. Het voedsel kwam van het directe achterland en werd centraal op het marktplein verhandeld. Er was geen twijfel over waar producten vandaan kwamen. Dat lijkt tegenwoordig anders. Supermarkten worden ’s nachts bevoorraad met producten uit alle delen van de wereld. De consument lijkt steeds minder kennis te hebben van voedsel, de herkomst en de natuurlijke cyclus waarin producten groeien. Grote voedselproducenten verdringen de kleine ambachtelijke ondernemers. Zo ook in Eindhoven. In de binnenstad is geen bakker, slager of groenteboer meer te vinden.

Het terrein van de luciferfabriek is een ideale locatie om voedsel terug te brengen in de stad. De fabriekshal gaat als overdekte markthal fungeren. Kleine ambachtelijke ondernemers en ambulante markthandelaren kunnen hier gezamenlijk hun waren verkopen. In de oude fabriek staat de productie van voedsel centraal. In eettentjes op de begane grond kun je terecht voor een kleine maaltijd. Een verdieping hoger zijn een restaurant en een wijnbar gevestigd. Op de tweede etage is een kookacademie ondergebracht. Het gebied achter de fabriek en de hal wordt ingericht als moes- en stadstuin.

In mijn aanpak heb ik ervoor gekozen bestaande, originele structuren te handhaven en te gebruiken. Ik heb ruimten gecreëerd die flexibel kunnen worden gebruikt. Op deze manier hoop ik dat de luciferfabriek nog lang kan bestaan en tegemoet komt aan de behoeften van de inwoners van Eindhoven.” 

Robert van Middendorp (Artez, Zwolle)

De bank van morgen

 

Robert van Middendorp (24) studeerde af aan de Artez Hogeschool voor de Kunsten in Zwolle, waar hij de komende twee jaar ook de Master Interieur zal volgen. “Ik ben van mening dat ik als ontwerper een grote verantwoording draag en middels mijn werk moet bijdragen aan een schone en duurzame samenleving.”  

“Voor mijn afstuderen kreeg ik het volgende uitgangspunt: Een aantal bestuurders uit de financiële wereld heeft ‘de bank van morgen’ opgericht. Deze nieuwe instelling financiert personen, bedrijven en organisaties met een meerwaarde op sociaal en cultureel vlak of op het gebied van milieu. De directie is van mening dat ‘het nieuwe bankieren’ een afwijkende huisvesting vraagt en houdt tevens een pleidooi voor de terugkeer van het ornament, als betekenisdrager of als middel om de boodschap over te brengen.

Lokaal materiaalgebruik was eeuwenlang een van de gewoonste zaken ter wereld. Met dat in mijn achterhoofd ben ik gaan kijken naar hetgeen Zwolle rijk is. Waar hergebruik voor mij geen optie was, vanwege de onveranderende vormentaal, kwam ik al snel op het spoor van lokaal gekapt hout. Gedurende mijn afstudeerperiode heb ik alle kapvergunningen bijgehouden middels een oogstkaart alvorens ik deze verwerkte in de opgave.

Het te gebruiken pand bevindt zich aan de Grote Markt in het centrum in Zwolle en dateert uit verschillende periodes. Zo stammen de eerste en tweede verdieping uit de achttiende eeuw en de huidige gevel op de begane grond uit 1912. Om het pand weer aan de huidige energienormen te laten voldoen zijn alle plafonds voorzien van PCM om zo het gebruik van installaties tot een minimum te beperken.

Het eerder genoemde hout heb ik gebruikt om een nieuw binnenblad te creëren. Deze staat los van de bestaande situatie en vormt zo een pand op zich. Om het afval van het verkregen hout tot een minimum te beperken wordt al het restafval en onbruikbare stukken vermalen tot houtvezelisolatie waarmee het nieuwe binnenblad geïsoleerd is. De verscheidene functies die het pand herbergt komen voort uit deze wand, op enkele plekken komt hij zelfs naar buiten en gaat zo een relatie aan met het exterieur. Tijdens een regenbui zal dit hout nat worden en zullen de ramen zich openen waardoor de geur van het natte hout het pand kan betreden en de geur bijdraagt aan de beleving van de ruimte.

Tijdens mijn onderzoek naar het pand kwam ik er achter dat de locatie een behoorlijke geschiedenis heeft. Waar sporen uit het verleden vaak weggewerkt of in oude staat hersteld worden, vond ik dat ik deze meer kracht moest bijzetten om zo de geschiedenis te benadrukken. Hiervoor heb ik gekeken naar de plattegronden door de jaren heen en deze als gesmede lijnen weergegeven in de vloer van de nieuwe situatie.

Met dit project wil ik duidelijk maken waar ik sta en laten zien wat de mogelijkheden zijn binnen een kader zonder hier een zichtbaar (en te vaak gebruikt) label aan te hangen wat betreft duurzaamheid.”  

Alexandra Mohlmann (Academie Minerva, Groningen)

Common Ground

 

Alexandra Möhlmann studeerde aan de Academie Minerva van de Hanzehogeschool in Groningen. Dat ze genomineerd werd voor de BNI-prijs is voor haar een bevestiging van haar wens om interieurarchitect te worden. Tegelijk realiseert ze zich dat haar afstuderen het begin is van iets groters waarvoor ze nog veel moet leren. Ze licht haar project toe in het Engels.

“Living, to me, is not just a necessity, it is a way to express my personality. As we define ourselves not just by the way we dress or have our hair done, we also communicate our identity by using the space around us. Space becomes our third skin. Being an interior designer my overall goal is to make people feel good in their skin by underlining and emphasizing their character. To me, life is about individuals and home is their stage.


For my final project I gave myself the task to create a ‘third skin’ that suits the demands and lifestyles of Generation Y. It is designed for those people that want to live different and who want to get out of stereotyped and standardized living conditions. Communication, flexibility and networking are the core values. Living in a fast moving environment, it is important to have a place, where people turn to themselves, where they feel at home, even for a short period of time.

Statistics show that people return to the cities. Thus, cities offer qualities that attract Generation Y. That is why I based my concept on the development of a European City. Fifty years ago, the church was not only the geographical centre of the city but also the centre of social activity. Nowadays, Generation Y uses the city in a different way. Social interaction can happen almost everywhere at any time. Generation Y is flexible and that is how it wants its environment to be.

The project Common Ground that I envision, consists of living units for ultimate privacy and lots of common ground. My goal was to combine the new spirit with the history of an already existing building. The former grain silo is determined by one single and simple process; the grain is gathered in the cone and led downwards. There, it is sorted and packed in order to be exported throughout the world. This process I used as the initial starting point for the actual design of my concept.

The seven living units are situated under the roof of the silo and form the cones. They are made for either two or three inhabitants. The layout is concentrated on minimal living space. The design is simple and sober, so people are allowed to focus on themselves.

The stairs downwards outline the enhancement of the living units and lead the inhabitants to the common space on the ground floor, where communication and networking takes place. From there they are finally ‘spread’ into the world.

My major goal was to give people room to meet and communicate when and wherever they want, as for Generation Y, this is an important aspect of its every day living. Therefore I designed several platforms of different heights that all together form an even bigger platform. By this I tried do refer to what architects such as Mies van der Rohe, Walter Gropius and Le Corbusier dreamt about: ‘Life happening on a stage’. The stage functions as a white canvas that will be given colour by the inhabitants of Common Ground.

Desmond Ninaber van Eijben (AKV | St. Joost, Breda)

Brillenwinkel

 

Desmond Ninaber van Eijben (31 jaar) studeerde in deeltijd aan de AKV | St. Joost in Breda. Hiervoor volgde hij de opleiding reclame,presentatie en communicatie aan het St. Lucas in Boxtel en deed hij ervaring op bij een ontwerpbureau en als freelancer. “Interieurarchitectuuris mijn passie. Het is fijn om daar waardering voor te krijgen.”

“Mijn afstudeerproject heet Perspective 24. Ik heb gezocht naar een interessante manier om brillen in verschillende situaties het beste tot zijn recht te laten komen in een interieur dat één geheel is. Perspective 24 is een brillenwinkel die zich onderscheidt door het productaanbod en een inrichting vertaald in dagdelen. Per dagdeel verandert het productaanbod en de uitstraling. Door de coulissenwerking wordt de ruimte subtiel opgedeeld in verschilende delen. Interessante perspectieven, zichtlijnen en de transformatie in de productwand vormen samen het totaalbeeld.

Ik ben op dit idee gekomen door mijn fascinatie voor verschillende percepties van eenzelfde object, zoals vertaald in het beeld van de gefragmenteerde appel. Dit heb ik vervolgens gekoppeld aan de 'dag'. Gedurende de dag kan je bepaalde dingen ook op verschillende wijze zien, letterlijk en figuurlijk. De transformatie van dag naar nacht is van essentieel belang in het ontwerp. De wand is een samenspel van positief- negatief, verschillende extrusies, materiaal en lichteffecten. De afbeelding ‘Day en Night’ van M.C. Escher was voor mij een grote inspiratiebron.

Perspective 24 zat vol met uitdagingen, zoals het vertalen van het verloop van de dag in een functionele productwand en de daarop aansluitende omgeving. Het technische deel van de productwand is erg complex. Ik heb op een gegeven moment het stramien in de wand bepaald. Vervolgens ben ik instinctief aan de gang gegaan met het weghalen van elementen om het karakter van de dag in de wand te vertalen. Ik vind het een uitdaging om na een exacte aanpak instinctief te gaan werken om naast een schijnbare willekeur een goed esthetisch beeld te kunnen creëren.

Een bepaalde consequentie in het ontwerp vind ik belangrijk, een voorbeeld hiervan is de alsmaar terugkomende zeshoek. Die consequentie is terug te zien in de scheidingswanden, plattegrond, coulissewerking en dus zichtlijnen en in de functionele en decoratieve elementen zoals de tegels. Deze consequentie in de elementen van het ontwerp levert naar mijn mening een sterk eindresultaat tegelijk was het een uitdaging in de uitwerking van het ontwerp.”

Li Wang (Gerrit Rietveld Academie, Amsterdam)

Kunstcentrum

 

In 2007 verliet Li Wang Xiamen in China om te gaan studeren aan de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam. Vier jaar later studeerde hij af. Zijn nominatie voor de BNI-prijs 2011 ziet hij als een aanmoediging. “This will be an excellent beginning for my post graduation study next year in Munich and for my ambition for the future as an architect active between Europe and China.”

“In 2010 the director of the Contemporary Art Building (CAB), a professional gallery located in the Schakalstraat near Sloterdijk in Amsterdam, invited me to design an extension for CAB. The extension needed to have five independent studios and dwellings. Each studio and dwelling being at least eighty square meters in size. The existing exhibition space and office should be retained.

The case was very attractive to me, but also challenging: CAB totally stands out from its existing industrial surroundings. What and how could a new identity be brought to the building? More specific: what context or contradiction between the existing building and the new extension would I discover in terms of my project?

Basically, my concept of the design followed two directions. First: I wanted to create an architectural rhythm according to the natural light. Second: I believe, all the existing elements in this age can go beyond their own time and space, so I wanted to create a contradictive dialogue between the existing situation and the extension.

The biggest practical difficulty I faced was that the surrounding buildings have the potential to go up to twenty meters high. So as much as I could, I wanted to avoid the situation in which CAB would be blocked in a corner with daylight only coming from the east. I decided to introduce daylight from above. In the future, if the surroundings change, the interior lighting won’t be influenced too much.

Horizontally, CAB will be in three levels: exhibition space on the ground floor, where it used to be. I kept the 60s’ original structure on purpose because it is already working perfectly for the exhibition space. Artists’ studio and administration space on the first floor, dwellings on the top floor. This order was based on the research about the need for daylight and convenient navigating in the building.

Vertically, these five new units will have different roof angles with gaps in between so that they can grab as much light as possible from the top. Five clearstories will be made on each unit going down from top floor all the way to the bottom, thus leading the daylight into each of the spaces. The positions of the clearstories were randomly in the gap between the original constructions, which directly represented the need for the new extension.

Today architectural design is no longer following the order: landscape, city planning, exteriors and interiors. On the contrary, simply changing interiors can bring a new identity. I think the new program involved in CAB will bring something extra into its neighborhoods.”  

Rosanne Talle (HKU, Utrecht)

Interieur & poëzie

 

Rosanne Talle (26) studeerde af aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht, waar ze nu ook de Master Interieurarchitectuur doet. Daarnaast werkt ze een aantal dagen per week bij OIII Architecten in Amsterdam. “Ik vind het een eer dat ik genomineerd ben voor de BNI-prijs. Dat er met enthousiasme op mijn afstudeerprojecten gereageerd wordt, geeft mij veel voldoening.”

“Het mooiste aan het vak interieurarchitectuur vind ik dat je als ontwerper een verhaal kunt vertellen en een beleving kan laten ontstaan. Dit geeft een extra dimensie aan het vak. Ook poëzie bevat een extra laag, een boodschap, een verhaal. Er worden nieuwe verbanden gelegd. Mijn fascinatie voor de raakvlakken tussen interieurarchitectuur en poëzie vormt het uitgangspunt voor mijn afstudeerprojecten. Mijn doel was mensen door middel van interieurarchitectuur en poëzie met elkaar in contact te laten komen. Voor beide projecten heb ik een gedicht als uitgangspunt gekozen voor het ontwerp.

Ik heb ervoor gekozen om mijn projecten in een verbouwde scheepswerf in Amsterdam Noord te situeren omdat dit pand mij aanspreekt door de prachtige ligging, de interactie met het water en de krachtige uitstraling. Van buiten is het een vrij gesloten pand maar van binnen heeft het pand ontzettend veel te bieden op het gebied van ruimte, materiaal en licht.

Ik heb de relatie tussen interieurarchitectuur en poëzie op twee manieren benaderd. Als eerste heb ik een entreegebied ontworpen voor een multifunctioneel pand met expositieruimtes, horecagelegenheid en congresgebied. Poëzie en architectuur ontmoeten elkaar, beïnvloeden elkaar, reageren op elkaar en smelten samen op plekken van functies. De architectuur vormt de basis, is krachtig en helder. Poëzie vertelt. Als gebruiker neem je een eigen plek in en word je door het entreegebied gestuurd zoals een dichter je meeneemt in een gedicht.

Als tweede project heb ik een ontwerp gemaakt dat een abstractie is van een gedicht. Een expositieruimte, horecagelegenheid en congresgebied. Mijn visie vertaald naar de ervaring van ruimte. Zonder de letterlijke aanwezigheid van tekst, wordt de gebruiker gestuurd door nieuwsgierigheid, licht en materiaal.

Zo heb ik met mijn afstudeerprojecten op twee verschillende manieren een ontmoeting gecreëerd tussen poëzie en interieurarchitectuur.

BNI-prijs 2010

De BNI-prijs 2010 werd gewonnen door Bram Vromans. Een eervolle vermelding ging naar Gabor Disberg.

Bram Vromans (KABK Den Haag)

Popschool Scheveningen

"Ik heb een popschool ontworpen in het gebouw de Visafslag in Scheveningen. In de visloods (een in een reeks van twintig) wilde ik een parallel trekken tussen de ritmiek van het gebouw en die van de muziek. De popschool is een creatieve omgeving waarin de passie voor muziek gedeeld wordt. In de popschool kunnen studenten individueel muzieklessen volgen, oefenen met een band en optredens geven voor publiek.
Toen ik zelf drumlessen volgde, vond ik het gebouw waarin ik mijn lessen kreeg erg gesloten: een trappenhuis met gesloten kamers. Je hoorde wel muziekgeluiden, maar zag de andere studenten amper. Dat vond ik jammer. Met dit in het achterhoofd heb ik een concept bedacht dat voor de muzikant(en) niet alleen functioneel is, maar ook inspireert en motiveert. De met hout beklede studio’s ‘zweven’ in het gebouw en komen los van de vloer en wanden zodat de ruimte eromheen werkt als geluidsbuffer. De bestaande schuine vloer, die diende voor de afwatering richting zee, heb ik voor een deel gebruikt voor het publiek, zo kijk je mooi over elkaar heen naar het podium. De studio’s ‘kijken’ naar elkaar waardoor er onderling contact is met de studenten, dit bevordert het samenspelen. Daarnaast kunnen de studenten wennen aan het spelen met publiek, dit verlaagt de drempel naar het podium. 
De facilitaire functies zijn samengesmolten met het bestaande gebouw waardoor de aandacht gericht blijft op de creatieve functies. De schuine vormgeving van de studio’s zorgt voor een betere akoestiek/geluidsweerkaatsing en geeft een tegenstelling met het bestaande interieur van de Visafslag."

Gabor Disberg (Gerrit Rietveld Amsterdam)

Flexibele architectuur

"Mijn afstudeerproject is een dynamische, drijvende ruimte met een niet nader gespecificeerd programma. De uitgangspunten bij dit project waren het gebruik maken van de vrijheid van beweging op water, en mijn scriptie onderzoek naar flexibele architectuur. Daarin kom ik tot de conclusie dat flexibiliteit niet in de fysieke aanpasbaarheid van een gebouw zit, maar in de perceptie die de gebruiker van een gebouw heeft over de mogelijkheden die een ruimte biedt. 
Het gebouw kan door middel van zonnecellen en afhankelijk van het aantal zonne-uren, ballasttanks vullen en leeg pompen. Hierdoor verandert de stand van het gebouw in het water en veranderen de vloeren in muren, muren in plafonds en plafonds in vloeren. In elke stand onthult dezelfde fysieke ruimtelijke structuur een totaal andere ruimtelijke beleving, waardoor de gebruiker in staat is om telkens opnieuw de architectonische betekenis uit te vinden."

Angela van Gils (Artez, Zwolle)

Van sieraad tot stedenbouwkundig plan

"Mijn afstuderen bestond uit drie opdrachten: een scriptie, een praktijkopdracht en een individuele opdracht. In mijn scriptie onderzocht ik details en sieraden. Mijn onderzoeksvraag was: Hoe kunnen details dienen als sieraden van de architectuur. In mijn individuele opdracht heb ik deze vraag verder uitgediept. Ik ben sieraden gaan maken van materialen die je in de architectuur ook terug ziet. Ik keek naar materiaal, vorm, gevoel en het belangrijkste: de samenwerking met het menselijke lichaam. De praktijkopdracht was een wat ingewikkelder geheel. In een bestaand pand te Zwolle, moest een agrarisch centrum komen. Deze bestond uit een winkel, bar, restaurant en park of tuin. In dit agrarisch centrum kwamen acht moeilijk opvoedbare jongeren te wonen. Deze jongeren werden in een woon/werk traject geplaatst, waardoor ze later gemakkelijker terug de maatschappij in konden. Als extra thema moesten we ‘de vervaging tussen de stad en het platteland’ meenemen. 
In mijn ontwerp heb ik alle bestaande parken met elkaar verbonden door er stroken en parken tussen te maken. Het agrarisch centrum maakt hier deel van uit. In het centrum creëerde ik een natuurlijk verloop tussen de verschillende functies door ronde wanden en elementen in de ruimte te zetten. Een mens loopt namelijk nooit in een hoek van negentig graden. Deze ronde vormentaal zie je in al mijn ontwerpen terug. Het laatste half jaar van mijn studie heb ik alles gegeven en ik denk dat ik trots mag zijn op het eindresultaat.Ik ben blij dat ik door de BNI genomineerd ben en mijn pan landelijk mag presenteren. Een hele eer."

Eva Rius van Teeseling (WdKA Rotterdam)

Fysieke ontmoetingen

"Ik heb een flagship store ontworpen voor de nrc.next. Dit idee ontstond toen ik me verdiepte in de geschiedenis en sociale invloed van het monumentale pand dat in 1874 gebouwd werd voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant aan de Witte de Withstraat in Rotterdam. De link naar de hedendaagse krantencultuur was gauw gelegd. Het krantenaanbod is groot. Politieke en culturele achtergrond zijn medebepalend voor wat iemand leest en ziet. Niet iedereen neemt aan wat hem of haar wordt voorgeschoteld. Niet iedereen is geïnteresseerd in debatteren. En niet iedereen neemt de tijd om een krant te lezen. Daarom is diversiteit van groot belang voor het slagen van een krant. 
Om deze diversiteit te kunnen bieden heb ik een flagship store ontworpen: een fysieke ontmoetingsplek voor nrc.next. Het dient als discussieplatform, waar het publieke debat wordt aangewakkerd. Maar ook als landschap voor de verschillende kranten die Nederland rijk is. Aan de basis van mijn ontwerpen ligt altijd het ontmoeten: ik ontwerp plekken waar mensen elkaar fysiek tegenkomen. Dit sociale aspect komt voort uit mijn wens om mensen met verschillende culturele achtergronden samen te brengen."

Joep Esseling (ABK Maastricht)

Boeken in een bunker

"Midden in Berlijn bevindt zich, als overblijfsel van de Tweede Wereldoorlog, een bunker. Deze bunker is als een ui opgebouwd uit drie lagen, bestaande uit een kern, een tussenruimte en een schil. De twee meter massieve schil was de belangrijkste laag omdat deze de inzittenden beschermde tegen luchtaanvallen. 
In mijn ontwerp krijgt de bunker een nieuwe bestemming. Binnen de schil ontstaat een leven vol kunstboeken: de Kunstboekerij. De dikke schil beschermt tegen de drukte van de stad. In de kern ontstaat een geheel stille ruimte, een leeszaal, volledig afgesloten van de binnenstad. Het nieuwe leven in de bunker is vormgegeven door middel van fragiele lijnen in de vorm van een kom. In het laagste punt van die kom wordt enerzijds de oorspronkelijke functie van de bunker benadrukt: het centrale punt van bescherming in de stad. Anderzijds het centrum van culturele informatie in de stad: de bibliotheek. Bunkers worden in Berlijn door naoorlogse generaties ervaren als een lastige confrontatie. Tegelijkertijd worden ze openbaar gemaakt en geïnstalleerd als toeristische attracties. Hierdoor gaat naar mijn mening een groot deel van de bunkerervaring verloren. De gebouwen dienen alleen nog als decor uit het verleden."

Roos Zondervan (AKV | St. Joost Breda)

Herbestemming bankgebouw

"Tijdens mijn zoektocht naar een geschikt pand voor mijn afstudeerproject trok het nieuwbouwproject van architectenbureau O.M.A mijn aandacht. O.M.A werkt al lange tijd aan het ontwerp van een kubus waarin zich winkels, woningen, kantoren en een cultureel centrum zullen vestigen. Het Abn Amro bankgebouw, dat ontworpen is door de architect H.F. Merthens voor de Rotterdamse bankvereniging, zal geïntegreerd worden in dit nieuwbouwproject. De herbestemming van dit monumentale bankgebouw aan de Coolsingel, werd mijn afstudeerproject. 
Het bankgebouw is omringd door de grote winkelstraten van Rotterdam. Door een passage te creëren in het gebouw worden winkelstraten zoals de beurstraverse en de binnenweg met elkaar verbonden. Met 11400 vierkante meter oppervlakte biedt het bankgebouw onderdak aan een groot aantal winkels. De keuze voor winkels komt voort uit een wens van Rotterdam: een duur en luxueus winkelgebied. Door de status die het uitstraalt, leent het bankgebouw zich hier perfect voor. 
In het gebouw heb ik veel aandacht besteed aan de kolomconstructie en het daglicht dat binnenvalt door hoge raampartijen en lichtstraten, die nog altijd aanwezig zijn maar schuil gaan achter systeemwanden en plafonds. Waar het gebouw nu wegvalt, zal het in de toekomst het middelpunt vormen."

Kim Wildhagen (Hanzehogeschool Groningen)

Seinhuis voor backpackers

"Elke dag kwam ik langs het station in Groningen. Het oude seinhuis, dat door automatisering in de jaren '80 al jaren leeg staat, maakte mij nieuwsgierig. Dus toen ik voor mijn eindexamen zelf een opdracht mocht samenstellen, greep ik de kans om mijn interesse voor herbestemming van industrieel erfgoed aan dit oude seinhuis te koppelen. Een nieuwe functie voor het seinhuis, betekent dat het pand behouden blijft.
Doordat Groningen een culturele poort is voor het internationale treinverkeer, wordt de stad veelal bezocht door backpackers. De ligging van het seinhuis op het station, punt van aankomst en vertrek, maakt het pand uitermate geschikt als slaap- en verblijfsruimte voor backpackers. Omdat het seinhuis industrieel erfgoed is, moet het pand in oorspronkelijke staat behouden blijven. Het nieuwe interieur dient met respect voor het originele gebouw geplaatst te worden.In de levensstijl van de backpacker is comfort geen prioriteit; backpackers nemen genoegen met minimale slaap- en verblijfsruimtes tijdens de reis. In mijn ontwerp benadruk ik de ontmoeting tussen de bestaande ruimte en het nieuwe interieur. Dit doe ik door de structuur en vorm van het seinhuis zichtbaar te laten, en het interieur als object een meter van de bestaande muur te plaatsen. De verschillende interieurobjecten zijn vormgegeven door de functies in minimale lijnen weer te geven, waarbij hoogte en diepte afhankelijk zijn van het doel waarvoor ze gebruikt worden. Alle objecten bestaan uit gerecycled kunststof omdat dit uitermate geschikt is voor intensief gebruik en het idee van herbestemming benadrukt."

Marieke van Dijk (HKU Utrecht)

Treincoupé van de toekomst

"Als de toegang tot informatie onafhankelijk is van plaats en tijd, wat voor effect heeft dit dan op de fysieke, mentale en virtuele ruimte? Naar aanleiding van deze vraag heb ik een visie geschreven over hoe werken en leven er in de toekomst uit zullen zien. Door de ontwikkeling van de digitale techniek kunnen we altijd en overal werken. Dit heef effect op onze levensstijl: de grens tussen werk en privé vervaagt. Wat betekent dit voor de architectuur? De functie van het kantoor zal veranderen, in plaats van een dagelijkse werkplek zal het een plek worden om andere werkende individuen te ontmoeten. Een zakelijke ontmoetingsplek. Als je altijd en overal kan werken, waarom niet onderweg? In de werkcoupé van de toekomst staat de balans tussen reizen en werken centraal. Ieder individu kan naar aanleiding van zijn werk en persoonlijke wensen een plek creëren binnen de reizende trein. De belangrijkste inspiratiebron voor deze coupé was de beweging van de trein. Door de beweging die de trein van buiten uitstraalt te transformeren naar het interieur, ontstaat een stimulerende werkruimte."