magazine

Ontmoet voorzitter Peter Dautzenberg

tekst: Frederike Bax
beeld: Rense Gmelig

Tijdens een lange reis van Sint Petersburg naar Ho Chi Minhstad, besloot Peter Dautzenberg zich kandidaat te stellen als voorzitter van de BNI. Samen met zes andere bestuursleden is hij de komende twee jaar verantwoordelijk voor de koers die de vereniging gaat varen. “Mijn passie voor interieurarchitectuur ontstond lang geleden toen ik bij Pieter Zaanen werkte in Amsterdam. Hij leerde me dat je als architect mensen moet behandelen als mensen en niet als figuranten in een ontworpen omgeving.”

Waarom heb je jezelf kandidaat gesteld  voor de voorzittersrol?
“Bij de eerste oproep in juni heb ik niet gereageerd. Ik had weinig werk en net besloten een lang gekoesterde droom waar te maken: een sabbatical van drie maanden om met de trein van Sint Petersburg via Peking naar Ho Chi Minhstad te reizen.  In een hotelkamertje  in Hongkong met wifi zag ik een tweede oproep voorbij komen. Omdat ik het heel belangrijk vind dat er een club is die interieurarchitecten bindt en omdat ik denk dat ik het kan, heb ik me alsnog gemeld.”

Wat zijn je speerpunten?
“Ik vind dat de leden met ervaring de leden die net beginnen met de uitoefening van hun vak moeten helpen. Zeker in deze economisch moeilijke tijd waarin uurtarieven en honoraria onder druk staan.  Ook wil ik mij inzetten voor meer aandacht voor bedrijfsvoering op de academies. Veel vakgenoten werken als eenpitter. Het is belangrijk dat je als zzp’er of kleine zelfstandige de weg weet in de jungle van onze vrije markt economie.”

Hoe zie je je plaats als voorzitter?  
“We zijn met z’n zevenen. Zeven bestuursleden die er met elkaar het beste van proberen te maken. Elk bestuurslid neemt de taken op zich die hij leuk vindt. Dat werkt het best. Ik ben niet directief en  wil besluiten nemen waarmee alle bestuursleden het eens zijn. Ik zie ik het als mijn taak om de grote lijnen in de gaten te houden en de gestelde doelen niet uit het oog te verliezen.”

Hoe ben je in het vak gerold?
“Na de middelbare school wilde ik naar de pedagogische academie om docent te worden. Maar omdat ik bijna 18 werd, moest ik eerst in dienst en dat wilde ik niet. Voor de HTS gold een uitzondering. Als je in het voorbereidend  jaar zat, mocht je eerst je studie afmaken. Van 4 havo ging ik naar de HTS in Amsterdam. Afstudeerrichting uitvoering, planning en organisatie. Om uit dienst te blijven, trouwde ik direct daarna in 1978 met mijn vrouw Sonja.”

Had je meteen werk?
“Toen ik in 1972 met de HTS begon was er nauwelijks werk. Bijna niemand koos voor bouwkunde. Vier jaar later was de crisis over en had ik goed betaald werk. Via een vriend kwam ik in contact met Pieter Zaanen. Het klikte. Ook al zou ik niet veel verdienen, toch ging ik bij hem werken. ‘Over  vier jaar weet je alles wat ik weet’, zei hij. En dat was ook zo. Hij leerde me de kneepjes van het vak. Ik mocht meteen aan een groot project in Zaandam meewerken. Een wit getegelde blinde hal waarin koeien en varkens werden uitgebeend , moest  verbouwd worden tot een ruimte waarin de medewerkers zich prettig voelden.”

Hoe werd dat aangepakt?
“We hebben de activiteiten en processen in de slagerij goed bestudeerd en vervolgens  de logistiek in de ruimte aangepakt. We hebben gezorgd voor veel daglicht en uitzicht. In de kantine werd een doorbraak naar buiten gecreëerd . En we hebben fijne kleedkamers gemaakt. Het gebruik van mooie materialen als koper en mahonie multiplex, wat toen heel bijzonder was, maakte het geheel compleet. Het ziekte verzuim daalde van 26 procent naar 18 procent en medewerkers gingen weer met plezier naar hun werk.”

Je hebt vier jaar bij Zaanen gewerkt. Wat deed je daarna?
“In 1982 was het crisis in de bouw. Iedereen werd ontslagen. Ik kon met Rob de Jong die ook bij Zaanen werkte een opdracht aannemen voor het ontwerp van café Winkel op de Noordermarkt. Dat was een succes. We wonnen zelfs een prijs, Amsterdam prijzen 1986. Rob en ik begonnen samen een bureau. We hadden volop werk, heel divers en bijna allemaal in Amsterdam.  In 2009 zijn we na 25 jaar gestopt. Ik werk nu als zelfstandig ondernemer  vanuit het oude koffiepakhuis aan de Oudezijds Voorburgwal waar ik ooit bij Zaanen begon. Voor elk project dat ik aanneem,  stel ik een ontwerpteam samen van professionals uit verschillende disciplines. ”

Je bent niet alleen voorzitter van de BNI, maar ook van de stichting Bijlmermuseum. Wat heb je met de Bijlmer?
“Eind jaren ’70 woonde ik met Sonja op een koude, tochtige etage in de Pieter Langendijkstraat toen we een woning in de Bijlmer aangeboden kregen. Ik wilde helemaal niet naar de Bijlmer, maar ging toch kijken. Het was waanzinnig. Een woning met alles erop en eraan. Een plattegrond waarover was nagedacht. We verhuisden naar de flat Koningshoef en zijn nooit meer uit de Bijlmer weggegaan. We kregen er vrienden, er was veel creativiteit  en onze kinderen groeiden er op. De Bijlmer werd mijn habitat. Van de acht klassieke galerijflats in het Bijlmermuseumgebied, het EG kwadrant, zijn er twee gesloopt, waaronder Koningshoef, en vijf gerenoveerd. De laatste flat, Kleiburg, zou ook gerenoveerd worden, maar dat plan ging van de baan. Sloop dreigde. De stichting Bijlmermuseum heeft daar een stokje voor gestoken. In de flat worden nu zogenoemde kluswoningen gerealiseerd. Samen met Willem van Seumeren en Xander Vermeulen Windsant heb ik een van die kluswoningen ingericht.”

Je bent architect en interieurarchitect. Wat is de specialiteit van de interieurarchitect?
“Een interieurarchitect denkt veel meer na over wat de gebruiker wil dan een architect. Dat zie je bijvoorbeeld aan veel woonhuizen. Die zijn vaak helemaal niet logisch ingericht. Het is niet handig als de wasmachine in de bijkeuken op de begane grond staat,  terwijl de vuile was in de wasmand in de badkamer op de tweede verdieping  wordt gestopt. Waar wordt de was opgehangen? Waar opgevouwen? Waar staat de strijkplank? En waar wordt gestreken? Interieurarchitecten denken na over de routing van kleding door het huis of over de bewegingen die horen bij boodschappen doen, koken , eten en afwassen.”

Zijn die bewegingen de belangrijkste uitganspunten voor een ontwerp?
“Behalve die bewegingen is ook uitzicht bepalend voor mijn ontwerpen. Als ik ergens binnenkom kijk ik altijd meteen waar ik naar buiten kan kijken. Ik zoek de zichtlijnen. Ook zonlicht en daglicht zijn belangrijk voor de sfeer in een ruimte. In mijn ontwerpen vertaalt zich dat in veel glas, kleur en openingen. In elke badkamer maak ik een raam en zelfs in brandwerende muren maak ik ‘gaten’ als ze het zicht belemmeren.”

Voor je reis had je weinig werk. Hoe sta je er nu voor?
“Het gaat goed. Ik ben in gesprek met Rochdale. Deze  woningstichting wil al haar afdelingen samenbrengen in Bos en Lommer. De locatie, een bruggebouw over de A10, moet een inspirerende werkomgeving worden met  flexibele werkplekken, concentratieplekken en ontmoetingsplekken. Vooral dat ontmoeten vind ik boeiend. In een kantoor doe je dat bij de printer en het koffieapparaat, maar ook in het restaurant kom je elkaar tegen. Ontmoeten moet je goed faciliteren en zonodig genereren. Het lijkt me