magazine

Kunst in opdracht

tekst: Hans van den Ban
beeld: Thea van den Heuvel

Ruim 2500 kunstenaars, architecten en ontwerpers hebben de afgelopen 60 jaar in opdracht van de overheid een kunstwerk gemaakt bij een nieuw overheidsgebouw. Dit resulteerde de ene keer in een veelbesproken beeldhouwwerk in de centrale hal en de andere keer in een subtiel ornament, meer geïntegreerd in het architectonische ontwerp. Altijd droeg het bij aan de sfeer in een gebouw. Hans van den Ban, adviseur van de rijksbouwmeester, vertelt over de bijzondere percentageregeling die dit mogelijk maakt. 

Vorig jaar was het zestig jaar geleden dat de percentageregeling voor kunst bij rijksgebouwen werd ingesteld. Deels uit educatieve motieven, deels om de gebouwen te verfraaien en deels om met kunstwerken de culturele uitstraling en het representatieve karakter van de openbare architectuur te versterken. Sindsdien wordt er bij de bouw van rijksgebouwen, zoals rechtbanken, rijkskantoren, gevangenissen en ministeries een percentage van ongeveer 1 procent van de bouwsom aan kunstopdrachten besteed.

De percentageregeling wordt uitgevoerd door de Rijksgebouwendienst. De rijksbouwmeester bevordert de kwaliteit van de uitvoering van de regeling door het geven van kunstadvies. Deze rolverdeling maakt het mogelijk om architecten, kunstenaars, bouwkundigen en toekomstige gebruikers goed met elkaar samen te laten werken.

Invloed architect
De invloed van architecten op dit proces was aanvankelijk groot. Decennialang bemoeiden de rijksbouwmeesters zich persoonlijk met de kunstenaarskeuze en de beoordeling van de ontwerpen van de kunstwerken. Die invloed nam af toen er, eind jaren tachtig, een adviesgroep beeldende kunst onder leiding van de rijksbouwmeester werd ingesteld met een grotere inbreng van beeldende kunstenaars. De laatste jaren worden ook adviseurs met een kunsthistorische achtergrond als kunstadviseur aangesteld.

“Ik denk dat kunst op allerlei manieren de droge abstractie die we overheid noemen concreet gestalte geeft, en soms zelfs een diepere betekenis. Kunst doet wat met mensen. Dit boek hopelijk ook.” Met deze woorden overhandigde rijksbouwmeester Frits van Dongen het eerste exemplaar van het boek In Opdracht dat vorig jaar ter gelegenheid van het zestigjarig jubileum van de kunstpercentageregeling verscheen. Een boek dat met meer dan duizend foto’s en uitgebreide artikelen en beschouwingen een goed beeld geeft van de resultaten en de betekenis van de regeling.

Van wandschildering tot videowerk
Het boek laat zien dat de opdrachtkunst in de jaren vijftig en zestig veel figuratieve kunst en in de architectuur geïntegreerde kunst betreft, zoals wandschilderingen, gevelstenen, en muur reliëfs. Het is vaak werk van in monumentale kunst gespecialiseerde kunstenaars. Later, in de jaren tachtig en negentig, wordt de kunst abstracter en minimaler. De werken gaan nog wel een relatie aan met de architectuur, maar worden autonomer en zijn minder in de architectuur geïntegreerd.

Steeds meer kunstenaars uit het museale en het alternatieve kunstcircuit komen in aanmerking voor een opdracht. De laatste decennia krijgen ook regelmatig buitenlandse kunstenaars opdrachten en is er een grotere diversiteit in het soort kunstwerken dat wordt gemaakt, zoals geluidskunst, videowerken en tijdelijke kunstprojecten.

 

Rekening houden met gebouw
De rijksbouwmeester streeft ernaar de diversiteit van kunstvormen die kenmerkend is voor onze tijd ook in de kunstopdrachten te weerspiegelen. We moeten, als opdrachtgever, vernieuwingen in de kunst volgen en laten zien, maar we moeten onszelf ook, als opdrachtgever, vernieuwen door te experimenteren in projecten die daarvoor geschikt zijn.


Belangrijk blijft dat de kunst zich zinvol verhoudt tot het gebouw of de organisatie waarvoor het wordt gemaakt. Een kunstopdracht bij een gevangenis, een rechtbank of een belastingkantoor stelt de kunstenaar voor een wezenlijk andere opgave. Bij een rechtbank moet je bijvoorbeeld letten op hoe de symboliek van het kunstwerk zich verhoudt tot die van de rechtspraak: het juridisch ritueel. Bij kunst in gevangenissen moet je er rekening mee houden dat geïnterneerden vaak niet de vrijheid hebben om de kunst te ontlopen. Kunst moet niet een onderdeel van de straf worden.

Grens kunst en interieur
Kunst wordt gemaakt met hogere verwachtingen qua levensduur dan andere delen van het interieur. Het wordt geacht de stormen van wisselende mode en interieurtrends te kunnen doorstaan. Daarom zijn kunstwerken ook auteursrechtelijk beschermd.

Soms wordt de grens tussen kunst en ontwerp opgezocht en soms overschreden. In een aantal gevallen heeft de rijksbouwmeester interieuropdrachten gegeven. Bijvoorbeeld aan de kunstenaar Rob Birza die in samenwerking met architecten Neuteling-Riedijk tapijten,wandbekleding, waterspuwers en motieven in roestvrijstaal en beton ontwierp die in het hele gebouw zijn doorgevoerd. Ook werden er opdrachten verleend aan ontwerpers die zo’n sterke eigen visie hebben ontwikkeld dat je ze ook als kunstenaar zou kunnen beschouwen zoals Jurgen Bey of Theo Remy. Er werden ook ontwerpers pur-sang ingeschakeld, zoals Harmen Liemburg, om in een gebouw met gezeefdrukte patronen het licht te temperen. Of zoals Willem van der Sluis een sportdome te ontwerpen voor een detentiecentrum.

Invloed op sfeer
Door hervormingen bij de rijksoverheid worden rijksgebouwen op dit moment niet langer door de rijksbouwmeester zelf gebouwd, noch door de Rijksgebouwendienst maar door marktpartijen: consortia van banken, bouwondernemingen en facilitaire bedrijven. Toch wordt de percentageregeling onverminderd toegepast. En wel met goede redenen.

Kunst kan een belangrijke bijdrage leveren aan de esthetische kwaliteit van een gebouw, of een fysiek oriëntatiepunt zijn dat bijdraagt aan de wayfinding. Het draagt bij aan de status en de representativiteit van de organisaties die er zijn gevestigd en geeft een plek een identiteit. Er is er nog niet voldoende wetenschappelijk onderzoek naar deze effecten gedaan om ze in harde cijfers door te rekenen, maar kunst, architectuur en interieurontwerp hebben onmiskenbaar invloed op de sfeer en een plek en daarmee ook op het werkplezier en uiteindelijk de betrokkenheid en de productiviteit van een werknemer.  

Nieuwe werken
In toekomstvisies van het nieuwe werken worden gebouwen minder gebruikt om in te werken. Ze functioneren meer als ontmoetings- en vergaderplekken. Nu al dreigen diensten anoniemer te worden omdat hun huisvesting om bezuinigingsredenen wordt gestandaardiseerd en diensten minder in een eigen gebouw worden ondergebracht. Ook kunnen ontwikkelingen zoals flexwerken en korter durende werkverbanden ertoe bijdragen dat de betrokkenheid van de werknemer met de organisatie waarvoor hij werkt verminderd.  De negatieve invloed die dit kan hebben op de motivering van de werknemer kan wellicht met een bijzondere uitstraling van het gebouw worden gecompenseerd. Er ligt een interessante uitdaging om met goede kunst, architectuur en interieurontwerp deze gebouwen toch een authentieke uitstraling te geven waardoor de werknemer zich thuis voelt en met trots bij de overheid te werkt.

Marlene Dumas, The benefit of the doubt, wandtapijten, Paleis van Justitie, Den Bosch, 1998