magazine

Kas Oosterhuis

tekst: Martin Pot

Kas Oosterhuis beschrijft in zijn nieuwe boek Towards a New Kind of Building zijn praktijk en plaatst zijn ontwerpen in de context van recente maatschappelijke ontwikkelingen met name op het gebied van de ICT. Martin Pot zocht de architect op voor een interview.

Tijdens het lezen van Toward a new Kind of Building moest ik denken aan het boek Out Of Control van Kevin Kelly.[1] Is er een link?
“Ik denk van wel, hoewel er volgens mij in het hele boek geen architectuur voorkomt. Hij redeneert met name vanuit de biologie. Hij heeft het over gedistribueerde intelligentie: alles staat met elkaar in verbinding, zoals wij met onze ‘brains’ verbonden zijn met alle andere ‘brains’, niet alleen van mensen maar tevens van planten, dieren etc. Als we dat besef zouden ‘mappen’ op de gebouwde omgeving, zijn alle ‘things’ met elkaar verbonden. Een van de gevolgen - in de statische bouw – is ‘non standard architecture’ waarbij je uitgaat van een systeem waarin de kleinste deeltjes met elkaar communiceren via knooppunten en daar regels vormen om zich te organiseren. Als je dat doorvoert naar interactieve architectuur, dus niet fixeert als statisch gebouw maar als werkend systeem, dan werkt het basisgedrag van de kleinste deeltjes van de bouwkundige omgeving samen met de kleinste deeltjes in de biologische omgeving.

Als we kijken naar de huidige situatie in de bouw, moeten nog wel de nodige randvoorwaarden worden geschapen?
“Ja en die kennen natuurlijk meerdere verschijningsvormen: onder meer klimatologisch, bouwbesluit. Bouwbesluitwaarden zijn parameters. Ze moeten een parametrische relatie met je systeem hebben. Ik heb daar geen problemen mee. Je moet erop zo’n manier mee werken dat ze onderdeel worden van je ontwerp.”

Je pleit dus niet voor herziening van het Bouwbesluit? Als we alles met alles willen verbinden, is er nog veel te doen.
“Ja dat gaat nog wel even duren. Wij experimenteren op ons bureau met een digitaal bouwvergunningmodel, waar gemeentes direct op inloggen. Breedtes van vluchtwegen zijn bijvoorbeeld getallen die gekoppeld zijn aan objecten; die worden onderdeel van het systeem.”

In je boek wordt gesteld dat  er geen standaard meer is: we maken wat op enig moment noodzakelijk is. Dat zijn voor het Bouwbesluit andere parameters.
“Okay, ik noem het geen deur meer, maar het is wel een vluchtweg. Je moet dus van die vaste terminologie van catalogusobjecten af.”

 Dat wordt wat betreft de regelgeving een lastige discussie.
“Ja, als ik iets een plafond of een wand noem, zit het in een hok waar het nooit meer uit komt. Maar het mag niet in dat hok zijn, het moet veeleer generiek beschreven worden, zodat je veel meer kunt beschrijven dan standaardsituaties. Leven in een 3d wereld is meer dan het beschrijven van een 2d sectie.”

Toen ik je boek las, dacht ik ook regelmatig aan het werk van Constant, New Babylon.[2]
“Heel prettig dat je dat ziet. In het boek komt het niet voor, bij lezingen gebruik ik er bijna altijd afbeeldingen van. Daar zit een sociale agenda achter waar ik me erg mee verwant voel.”

Zitten er overeenkomsten tussen New Babylon en jouw werk?
“Ik denk dat wij veel verder gaan. Constant kwam in zijn dynamische constellaties niet substantieel verder dan schuivende panelen. Hij begreep ons werk niet, wij hebben hem tijdens een congres onze programmeerbare ruimtes laten zien. Hij reageerde daar negatief op, hij kon het niet volgen, hij begreep de dynamiek niet.”

Toch vreemd. Hij baseerde zijn werk op Huizinga’s Homo Ludens: de verbeeldingscomponent is dan toch het belangrijkste?
“Ja, maar hij kon het digitale materiaal niet doorzien. Het was voor hem geen materiaal, terwijl het dat voor ons bij uitstek wel is.”

In je boek staat ‘the building is constantly refigurable’. In een artikel in de Witte Raaf van Bart Verschaffel[3] staat ‘het huis krijgt een IP-adres’?
“Ik zou zeggen: doe er meteen een paar duizend, anders krijg je geen netwerk van dingen die met elkaar communiceren. Alles moet adresseerbaar zijn.”

Hoe past de mens daarin? Uiteindelijk beschouwen wij ons huis nog steeds als een bescherm(en)de omgeving.
“Voor allerlei sites hebben we passwords nodig. Je kunt dus honderden connecties maken, terwijl je voor je huis er maar een nodig hebt: je sleutelbos. Het zijn allemaal unieke toegangen tot een domein. De realiteit is echter dat we zo langzamerhand niet één enkel domein meer hebben, maar duizenden.”

Daar waar het gaat over privacy, bepalen we die aan de hand van tijd en plaats?
“Ja, een domein is niet plaatsgebonden. Het is steeds een van de vele domeinen waarin je je op een bepaald moment begeeft. Vergelijk het met een wandeling in een mooi bos. Er is zoveel informatie in zo’ n bos. Je hoeft echter niet alles te weten, maar je kunt het wel ervaren, en je kunt een bepaald deel afsluiten voor privégebruik.”

Hoe zou de interactie zich manifesteren binnen de woonomgeving?
“Op heel veel niveaus. Via je smartphone ben je al onderdeel van groepen. Via andere apparaten ben je onderdeel van andere groepen, op een andere plek: een cafe, Schiphol, kantoor. Dat kan ook in huis, wat daarvoor niet kon. Vroeger ervoeren we de telefoon als een inbreuk op onze privacy. Het is een kwestie van evolutie. Alles is vloeibaarder geworden, minder bepaald door fysieke muren.”

Als je ziet hoeveel moeite we al hebben met de invoering van een slimme energiemeter…
“Ja, dat wordt ook tijd. Ik wil niks anders. Ik zou willen dat alle huizen producenten van energie zijn. Gooi ze in een netwerk en je hebt geen energiecentrale meer nodig. Je moet dan wel in twee richtingen kunnen denken.”

Dat gaat voorbij aan het privacy aspect, zoals de universiteit Tilburg concludeerde.
“Dat is een achterhaald idee. Zonder verbindingen, zonder ‘brains’ ben je niks. Dat oude idee van privacy hoort niet bij ons. Men is bang dat het eenrichtingsverkeer is. Dan is het druk die wordt uitgeoefend en inbreuk pleegt op je privacy. Als het in een robuust netwerk in tweerichtingsverkeer aan elkaar wordt geknoopt, dan kan het niet meer stuk, net als het internet.”

Een interessante opmerking in je boek is ‘my objective is to always make sure that Interactive Architecture is perceived as beautiful, that it not be experienced as merely a technical achievement’. “Zie Usman Haque. Je ziet een technische installatie, maar die wil je helemaal niet zien.”

Ga je niet voorbij aan de standaarddefinitie van architectuur?
“In de standaarddefinitie zie je een verschil tussen architectuur en bouwen. Het  gaat nu over een nieuw soort bouwen, over je houding ten opzichte daarvan. Architectuur is niet anders dan het denken over bouwen. Het is de relatie van ons denken met het fysieke. Die is niet anders dan die met het interactieve. De intelligentie moet in het materiaal zitten. Het resulteert in een fysiek product, net als jezelf met je eigen lichaam in een ecologisch netwerk functioneert en alleen in dat geheel kunt functioneren.”

Zou je kunnen zeggen dat de grens tussen architectuur en niet-architectuur vervaagt?
“Ja, ik zie geen principieel verschil tussen een groot kunstproject en een groot architectonisch project. Het zijn andere parameters, andere randvoorwaarden, zolang dat maar dynamische koppelingen blijven. Ik heb liever de volle eindverantwoordelijkheid dan een beperkte consultancy opdracht. Als ik een opdracht krijg voor een kunstwerk is het geformuleerd op een A4-tje, als het een gebouw is, krijg ik een dik pak papier: de basis is wantrouwen. Dat kan veel directer. De architect moet meer verantwoordelijkheid naar zichzelf toetrekken: we moeten een product aanbieden. Het heeft eveneens te maken met hoe we gebouwen in elkaar zetten. Met duizenden verschillende producenten. In mijn eigen bureau beperken we het aantal details enorm: het is uiteindelijk één complex parametrisch detail, ‘one building, one detail’. In de traditionele bouw kan dat niet, er zijn teveel spelers, teveel details die met elkaar clashen.”

Wat zou de rol van de interieurarchitect moeten of kunnen zijn?
“Dat is voor mij geen afgebakend vakgebied. Waar het voor mij om gaat is dat de samenwerking goed wordt  gedefinieerd en ieder dat toelaat en zich houdt aan de spelregels.”

Toch denken veel interieurarchitecten van binnenuit; juist daar waar het gaat over die beleving, privacy, zou er voor de interieurarchitect een belangrijker rol moeten zijn weggelegd.
“Ik ga uit van ‘collaborative design in real time’. Ofwel je werkt samen vanaf het allereerste begin en je doorleeft het project met elkaar van begin tot eind.”

Heb je het gevoel dat de gemiddelde interieurarchitect in een proces als dit inderdaad parallel loopt?
“Die situatie heb ik nog niet meegemaakt. Ik weet hoe ik het zou willen hebben. Wat ik graag wil is sterke ideeën van anderen, feedback op tijd, in het vroegste stadium van het ontwerp. Als je een echte samenwerking wilt, moet je dat vanaf het prilste begin doen.”

In je boek ligt de nadruk op het proces van bouwen. Wat als je dat tegenover de beleving stelt?
“Dit proces van eenvoudige regels levert een rijke complexiteit op, per definitie wordt dit door velen gewaardeerd. De paradigmaverschuiving is dat je je de interne logica eigen moet maken.”

 



[1] Kevin Kelly, Out of Control, the new biology of machines, 1995, Fouth Estate Publ.

[2] http://www.classic.archined.nl/news/9812/Babylon.html

[3] http://www.dewitteraaf.be/artikel/detail/nl/2956