magazine

Inclusief ontwerpen

tekst: Marij van de Wildenberg
beeld: Bartimeus

De hedendaagse architectuur lijkt vooral een lust voor het oog te zijn. Door de, soms overdreven, aandacht voor wat we zien, worden de andere zintuigen minder aangesproken. De totale beleving van een ruimte is beperkt, laat staan dat tegemoet gekomen wordt aan mensen die door allerlei aandoeningen slechts beperkt kunnen waarnemen of moeite hebben met het vinden van de weg.

Stel je gaat met de trein. Bij de ingang wordt een krant aangereikt. Je bedankt vriendelijk en loopt de trap op. Er klinkt een omroepbericht. Je hoort het niet goed want het galmt in de hal en er zijn veel uitgelaten scholieren. Omdat de trein niet op  het informatiebord staat, spreek je een informatrice aan.  Zij valt op door haar rode pet en blauwe jasje met rode bies. Vertraging. Uit de koffiecorner komt de geur van broodjes en koffie. Je koopt een cappuccino en warmt je handen aan de beker. In de hal lokken de kiosken met uitgestalde waren. Kleuren alom. Je  koopt en een glossy. De trap naar het perron valt op door een andere lichtval. Met één hand pak je de rode, opvallende leuning. Je ziet in één oogopslag waar de trap begint, je scant de afstand tussen de treden en loopt gedachteloos de trap op. De trein rijdt binnen, de zon verdwijnt uit je gezichtsveld. Sissend gaan de deuren open. Je stapt in en vindt een lege plaats bij het raam. Het fluitsignaal kondigt het vertrek aan. Je pakt je glossy uit je tas, maar door het schelle zonlicht kun je de tekst niet lezen. Je zoekt een andere plaats.
 
Verwarrende situaties
Over het algemeen vinden we moeiteloos de weg en raken we niet gauw in de war van de vele situaties die we dagelijks tegenkomen; glas tot op de vloer waardoor de binnenwereld overgaat in de buitenwereld, kunstmatige vogelgezang in een kil winkelcentrum, muurschilderingen die de illusie van een open landschap geven, verblinding door de tegemoetkomende autolichten, een doolhof aan gangen. Voor mensen met een zintuiglijke handicap kunnen deze situaties verwarrend zijn en hen belemmeren in hun functioneren.

Het totaal aan zintuigen geeft ons een beeld van de wereld om ons heen. Het ene zintuig geeft detail informatie, het andere richt zich op de omgeving.  Door het bewegen in een ruimte krijgen begrippen als op, onder, naast, dichtbij, ver betekenis. We kunnen onze ogen sluiten als we iets niet willen zien, maar andere zintuigen kunnen we niet of moeilijk uitschakelen.

Het zien speelt een zeer prominente rol bij de oriëntatie en bij het uitvoeren van activiteiten, in niet geringe mate geholpen door onze overvloedig visueel ingestelde maatschappij. Door dit overheersen van het zien schenken we minder aandacht aan de prikkels die via de andere zintuigen binnenkomen; het maakt het gehoor, de reuk, de smaak en de tast zelfs ‘lui’ .

Omgevingen voor iedereen
Marie Kessels schrijft in haar roman RUW  waarin de hoofdpersoon door een ongeluk blind wordt: “Zo werd me voor het eerst duidelijk hoe heerszuchtig de blik is,  en hoever je in het rijk van de tastzin wordt teruggedreven in een verre achterwaartse beweging die eigenlijk geen grens heeft: wat je ook aanraakt, en op welke manier je het ook aanraakt, het onttrekt zich uiteindelijk altijd, alsof het zich altijd terugtrekt zodra je het roept.” 

Als we globaal weten hoe de zintuigen een rol spelen bij het her- en verkennen van de omgeving weten we welke informatie gemist wordt als er een zintuig uitvalt of de informatieverwerking verstoord is geraakt. We kunnen dan zorgen dat de omgeving dit gemis compenseert. Gecontroleerd daglicht, aangename en goede verlichting, bewust gekozen helderheid, (kleur)contrasten, een passende akoestiek en bewust toegepaste variaties in textuur kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan een begrijpelijke, interessante omgeving voor iedereen.

Om een beeld te vormen van de omgeving en om te oriënteren, richten we ons op datgene wat opvalt. Een kleur of een beweging trekt de aandacht en daar focust het oog zich op.  Slechtziende mensen proberen uit alle macht het gezichtsvermogen dat ze nog hebben te gebruiken. Het wordt voor hen makkelijker als er in de omgeving duidelijke accenten zijn die hen helpen bij de oriëntatie. Dit geldt trouwens ook voor  mensen met cognitieve problemen, zoals verstandelijk beperkte mensen en mensen met dementie. Ook zij richten zich op datgene wat opvalt. Maar niet alleen voor hen valt er winst te behalen. Mensen die goed zien krijgen ook meteen een juist beeld als duidelijke accenten aangeven waar de trap is, de lift, of de deur naar de spreekkamer.

Gecontroleerd licht
We zien de omgeving en de objecten in een omgeving omdat het licht dat erop valt gereflecteerd wordt. Hoe meer en beter het licht, des te meer we zien. Naarmate we ouder worden, wordt de behoefte aan licht groter. Iemand van 65 heeft tot wel 15 keer meer licht nodig dan iemand van 18 om hetzelfde te kunnen waarnemen. Daarnaast is bekend dat auditief beperkte mensen graag veel licht hebben om goed te kunnen liplezen en de mimiek te kunnen zien. 

Globaal kunnen we stellen dat veel maar gecontroleerd binnenkomend daglicht erg prettig is, zowel voor het waarnemen als voor het welbevinden. Hoog licht is hinderlijk evenals kleine lichtkoepels (lichtplassen op de grond) en glasvlakken tot op de vloer. Overstek en licht- en zonwering in de vorm van screens of een speciale folie verminderen de hinder die het dag- en zonlicht kan veroorzaken. Een goede basisverlichting met laag luminant armaturen  gecombineerd met een goede materiaal- en kleurkeuze in de afwerkstaat kunnen de binnenomgeving zichtbaar maken. Spiegelende en gladde afwerking van binnenoppervlakken die het licht weerkaatsen veroorzaken hinder. Een matte afwerking voorkomt dat.

Kleur en helderheid
Het werken met kleurcontrasten is meer dan het zoeken van verschillende kleuren bij elkaar. Groen naast rood zal door velen niet als verschillend waargenomen worden.  Of het verschil zichtbaar is, wordt vooral bepaald door het verschil in helderheid.  Lichte kleuren reflecteren het licht, donkere kleuren absorberen het licht. Voor slechtzienden worden donkere kleuren ‘gaten’.  Een vloerbedekking met donkere vlakken of een zwarte drempel maakt hen onzeker. ‘Wat is het?’ Zo werd in een verzorgingshuis een donkere blauwe grillige vorm in de vloer in de hal  door enkele bewoners als een vijver gezien. Zij schuifelden langs de rand, bang om erin te vallen. Ook drukke dessins zijn verwarrend.

Verschillen in kleur en helderheid vallen pas op als er een verschil is in reflectiecoëfficiënt van circa 30 punten. Als indicatie kunnen de helderheden zoals vermeld op een kleurenwaaier gebruikt worden. De merken Sikkens/Flexa gebruiken het ACC systeem. De laatste twee cijfers van het nummer onder de staal verwijzen naar de helderheid waarbij 00 zwart is en 99 wit.  Let wel de cijfers gelden alleen voor de verfkleuren op de staal. Een vloerbedekking van ogenschijnlijk dezelfde kleur kan door de textuur een compleet andere reflectiewaarde hebben en wordt dus ook anders waargenomen. Dan is het nodig de waarden te meten met een luminantiemeter.

Door het toepassen van het principe van zichtbare helderheidverschillen kan de vloer contrasteren met de wand, een deur in de wand, een klink op de deur, een stoel op de vloer en een witte wastafel tegen de gekleurde tegels. Het vraagt wel enige zorgvuldigheid om chaos en daardoor verwarring te voorkomen. In het wooncomplex van Bartiméus wordt bijvoorbeeld het principe gebruikt dat niet functionele deuren voor de bewoners zoals de deur van de meterkast en de werkkast dezelfde kleur als de wand krijgen en de functionele deuren een zichtbaar contrast.

Tactiele variatie
Met tactiele variatie kunnen we de gebruiker informeren over de plaats waar hij is en hem attenderen op niveauverschillen of obstakels zoals kolommen. Bijvoorbeeld met een attentiestrook voor het begin van de trap, een voelbaar verschil tussen de tegels in de badkamer en het toilet versus de gladde gang en de zachte vloerbedekking in woonkamer of kantoor. De (schoonloop) mat geeft een accent bij de entree en achterdeur. Uit een onderzoek blijkt dat blinde mensen matjes op cruciale punten leggen zodat ze weten waar ze zijn. 

Een ruimte met een goede akoestiek (beperkte nagalmtijd), is niet alleen prettig om in te verblijven maar mensen kunnen elkaar ook beter verstaan. Voor slechthorenden en visueel beperkte mensen is het van belang dat betekenisvol geluid waargenomen kan worden. Horen dat er iemand aan komt of horen dat het water kookt.

De huidige architectuur kenmerkt zich door het toepassen van harde, gladde materialen. In ruimtes met weinig absorptie, geen verstrooiing en een hoge nagalmtijd is het geluidniveau eveneens hoger. De menselijke stem klinkt er bijvoorbeeld veel harder. Als er in zo'n ruimte meerdere gesprekken tegelijkertijd plaatsvinden, hebben we de neiging om harder te gaan praten. We proberen om boven de andere sprekers uit te komen. Daardoor wordt het effect van veel galm nog eens extra versterkt. Door de galm kan belangrijk geluid gemist worden, daarnaast wordt het als vermoeiend ervaren. Er is geen norm voor de nagalmtijd  vastgelegd in het bouwbesluit (m.u.v. de nagalmtijd in gemeenschappelijke verkeersruimten). Er zijn wel adviezen van de Rijksgebouwendienst en de publicaties: Bewust Bouwen (Bartiméus) en Akoestische voorzieningen in Zorginstellingen (TU Delft) . Een nagalmtijd van 0,4-0,5 seconden is aan te bevelen voor verblijfsruimten.

Echolocalisatie
Blinde mensen gebruiken ‘echolocalisatie’ om de grootte van de ruimte en hun positie in de ruimte te bepalen.  Zij maken zelf een gelui d, of tikken met de taststok en horen de echo terug. Binnen is dat veelal de echo van het geluid dat door de muur teruggekaatst wordt. Vanuit die gedachte kan absorptiemateriaal het beste op het plafond aangebracht worden. Om de herkenbaarheid van verschillende ruimten te vergroten kan gevarieerd worden met de nagalmtijd. Door verschil in plafondhoogten en materiaalgebruik is er verschil in akoestiek hoorbaar als men van de ene ruimte naar de andere gaat.

Door bewust en met aandacht voor het waarnemen een ontwerp vorm te geven wordt een toegankelijke en interessante binnenomgeving gecreëerd. In dit artikel worden een paar basisprincipes uitgelegd maar uiteraard geldt dat een inclusief ontwerp verder gaat. Bij het kiezen van de verlichting, de kleurcontrasten en absorberende materialen zijn er feitelijke waarden waaraan getoetst kan worden of tegemoet gekomen wordt aan het beter waarnemen of ervaren van de omgeving. Het gaat dan om de lichtberekeningen die aangeven hoeveel licht er in een ruimte nodig is,  contrastberekeningen die laten zien of zichtbaar is wat gezien moet worden en  de berekeningen hoeveel absorptie nodig is om de gewenste nagalmtijd te bereiken. Het vraagt creativiteit en vakbekwaamheid van een interieurarchitect om de feitelijke waarden te vertalen naar materialen die het beste resultaat bereiken en het interieur boeiend maken.

Marij van den Wildenberg
Marij van den Wildenberg (1954) heeft zich, vanuit een ergonomie achtergrond sinds de jaren ‘80 bezig gehouden met toegankelijk bouwen voor mensen met visuele en meervoudige beperkingen. Zij is inhoudelijk betrokken bij verschillende nieuwbouwprojecten van Bartiméus in Doorn, Zeist en Ermelo.. Bartiméus ondersteunt mensen die zeer slechtziend of blind zijn al dan niet in combinatie met andere beperkingen. Al jaren doet Bartiméus empirisch onderzoek naar de wijze waarop gehandicapte mensen de omgeving ervaren en hoe zij  beter de weg kunnen vinden in een gebouw.
Bartiméus Bouwadvies adviseert, tegen betaling, over toegankelijkheid van een gebouw. Voor meer informatie kijk op www.bartimeus.nl/toegankelijkesamenleving  of mail Marij van den Wildenberg: bouwadvies@bartimeushuisvesting.nl.

Kleurcontrast is niet gelijk aan helderheidcontrast.