magazine

De vernieuwde Rotterdamse Schouwburg

tekst: Martin Pot
beeld: Martin Pot

De Rotterdamse Schouwburg, in de volksmond de ‘kist van Quist’ genoemd, werd na een ingrijpende renovatie op 2 oktober officieel geopend. Een opening waar door velen in ons vakgebied met spanning naar werd uitgekeken.  Martin Pot was erbij en sprak met directeur Jan Zoet.

Voor de verbouwing van de Rotterdamse Stadschouwburg werd een vooraanstaand scenograaf, Jan Versweyveld, verkozen boven een interieurarchitect. Maar heeft een decorontwerper een goed beeld van wat interieurarchitectuur inhoudt? Is een decorontwerper in staat de Rotterdamse Schouwburg een nieuw gezicht te geven? En hoe verhoudt dit zich tot de karakteristieke, functionele architectuur die de gebouwen van Wim Quist zo kenmerkt? Kortom, veel vragen die beantwoord moeten worden, maar eerst  enige historie en achtergrond.

Heldere visie
De huidige Rotterdamse Schouwburg van Quist werd in 1988 voltooid en verving een in 1984 gesloopte schouwburg van architect Sutterland. Het was de bedoeling dat Sutterlands schouwburg uit 1947 twintig jaar gebruikt zou worden, maar dat werden er veertig.

Architect Wim Quist had destijds een heldere visie. Hij wilde een gebouw maken waarin bijna alles kon. Hij zag het gebouw als beschermende huls voor inhoud, kleur en leven. De architectuur van Quist werd gecompleteerd met kinetische objecten van George Rickey, een kunstwerk van Carel Visser en lichtlijnen van Jan van Munster. Deze lichtlijnen hadden een symbolische waarde: rood voor het warme pluche, blauw voor het moderne experiment.

Architectonisch is de schouwburg van Quist interessant. Vanwege omringende woningen moest de zaal 180 graden worden gedraaid ten opzichte van de entree. De toneeltoren werd daarmee aan de voorzijde gesitueerd. Transport van decoronderdelen vindt plaats met een enorme schaarlift waarop een complete oplegger tot op toneelvloerhoogte kan worden ‘gelift’.

Veel geplande afwerking in het oorspronkelijk ontwerp van Quist werd om budgettaire redenen geschrapt. Bovendien vertoonde het interieur na twintig jaar intensief gebruik de gebruikelijke slijtage. En daarnaast waren veranderende opvattingen over wat een theater is of zou moeten zijn, aanleiding om voor een andere karakteristiek te kiezen.

Theatraal contrapunt
In de plannen voor een vernieuwde stadschouwburg zou de centrale hal meer moeten functioneren als stadsfoyer: een publieke,  flexibele ruimte waar bezoekers in en uitlopen, drinken en eten, en informatie krijgen over voorstellingen en aanverwante activiteiten.  Vooral dit laatste zou een beeldbepalende functie moeten worden in de vorm van een twaalf meter brede mediawand. De door bezoekers als ongezellige en kil gekwalificeerde uitstraling zou moeten worden vervangen door een warmere, huiselijkere sfeer. De kale ruimte zou meer aankleding moeten krijgen.

Directeur Jan Zoet zei over de vernieuwingsplannen in de Volkskrant: “Wij wilden een theatraal contrapunt ten opzichte van het architectonisch ontwerp. Daarom kozen we een theatervormgever, geen architect.” En: “Ik heb teveel respect voor Wim Quist om een andere architect te kiezen.” De ontwerper mocht het gebouw dan ook niet aantasten. Wim Quist kreeg als adviseur zelfs een vetorecht.

Marmer, leer & staal
Wie nu de Rotterdamse Schouwburg binnenloopt ervaart een andere sfeer dan voorheen. Ontwerper Jan Versweyveld heeft de vrijwel witte vloertegels vervangen door bruin, grijs en wit geaderd Turks marmer. Hij heeft de trappen bekleed met tapijt, de wanden met stof en het plafond afgewerkt met essenhouten latten. De indrukwekkende mediawand, het ‘digitaal podium’, is prominent aanwezig. De in delen verplaatsbare bar annex kassa is voorzien van roodbruin leer met een bovenzijde van rvs. De banken hebben een roodbruin leren bekleding en een wit stalen frame. Net als de hoge statafels: wit frame en marmeren blad.

Langs de wanden zorgen plafondhoge grijsbruine gordijnen voor afsluiting wanneer het gebruik van delen van de foyer dit vereist. Het zicht op de voorheen volledig open garderobes is gereduceerd tot een lage horizontale opening: een marmeren kader en een wandbekleding met een grijsbruine stoffen bekleding. Aan de rechterzijde is een verplaatsbare tribune geplaatst met hoge, eveneens beklede wanden. De plastiek van Carel Visser kreeg een passende, prominente plaats in de foyer op de eerste verdieping. Jan van Munster herontwierp zijn neonkunstwerk en gebruikte nu alleen verticale lijnen van ‘zwart’ neon.

Sense of belonging
Ontegenzeggelijk is de verblijfskwaliteit van de Rotterdamse Schouwburg veranderd en volgens velen verbeterd. Maar in hoeverre is het oorspronkelijk karakter van de schouwburg behouden? Paul Wintermans van Quist Wintermans Architekten zegt daarop: “Wij zouden het stoerder hebben gemaakt.”

In de Volkskrant stelt Jan Zoet dat ‘de gebruiker het recht heeft om het gebouw zo aan te passen dat het goed functioneert’ én dat ‘de verbouwing geen architectuur is, het is interieurarchitectuur’. Zoet suggereert met zijn eerste opmerking dat de ruimte voorheen niet goed functioneerde: de gebruiker zou, ongeacht de architectuur, het recht hebben aanpassingen te plegen. “Het thema voor de komende jaren”, vertelt Zoet, “is a sense of belonging.” De bezoeker moet zich thuis voelen en niet worden ‘verjaagd’ door een architectuur/inrichting die onaantrekkelijk en ongezellig is, niet meer van deze tijd. 

Met zijn tweede opmerking suggereert Zoet dat er een grens zou zijn tussen architectuur en interieur. Dat lijkt me, met name in een gebouw als de schouwburg, niet van toepassing. Wat is het deel van de architectuur dat zodanig bepalend is dat vrijwel iedere aanpassing of herinrichting als niet-karakteristiek moet worden gekwalificeerd? Het is nauwelijks vol te houden dat de herinrichting niet ‘passend’ zou zijn en/of een breuk zou vormen met de architectuur; wellicht op enkele onderdelen en details na.

Flexibiliteit
In de nieuwe schouwburg is een duidelijke keuze gemaakt voor flexibiliteit aangaande functionaliteit en daarmee indeling, inrichting en meubels. Deze keuze wordt, vind ik, niet vertaald in het meubilair dat wel verplaatsbaar is, maar zwaar en immobiel oogt (en is). De vormgeving en materiaalkeuze van de banken, met de marmeren bekleding, is meer monumentaal. Het was, gezien het karakter van de ruimte, wellicht duidelijker geweest een keuze te maken voor een lichtere, frivolere meubilering die tevens meer vrijheid tot plaatsing geeft. De aanwezige fragiele, lage stoeltjes vallen enigszins weg tegenover de massieve banken. Bar en kassameubel mogen dan verplaatsbaar zijn, ze ogen permanent, massief en onverzettelijk. Maar ja het betreft hier een theater: suggestie is alles, soms is iets uiteindelijk niet wat het lijkt. In de woorden van Jan Zoet: “We laten het onbestaanbare gebeuren.”

Bronnen
De Rotterdamse Schouwburg, 1887-2009, DuoDuo, 2009.
www.devolkskrant.nl en www.dearchitect.nl