blog

interieurarchitectuur in de netwerksamenleving

tekst: Martin Pot

Op woensdag 30 november j.l. was ik aanwezig bij de BNI-bijeenkomst in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam; opzet en inhoud van de avond was de presentatie van een enquête en een debat over de toekomst van de interieurarchitect.

Voor de volledigheid; sinds 2012 ben ik geen lid meer ben van de BNI; na lang te hebben gewerkt op architecten-bureaus en als zelfstandige bestaat mijn werk de laatste 10-12 jaar uit research, schrijven en de voorbereiding van een promotie-traject. Mijn laatste initiatief binnen de BNI was de opzet van een werkgroep gericht op innovatie, daarnaast heb ik meermalen in INTERN geschreven over deze thematiek omdat ze mij ter harte gaat en m.i. tevens ons allen ter harte zou moeten gaan.

 

Waarom?

Laat ik eerst terugkeren naar de avond van de 30e: de vraagstelling was ‘Innoveren of decoreren?’. Vanzelfsprekend mag – of zelfs moet - een stelling provoceren, maar het lijkt tevens een overbodige vraag. Het is niet of/of, het is en/en. Het kan niemand ontgaan dat onze samenleving in hoog tempo veranderd in een netwerksamenleving, in een hybride van analoog en digitaal, van werkelijk en virtueel. Sinds 2009 ben ik verbonden aan Council, de internationale (kritische) denktank voor het Internet of Things en aan enkele werkgroepen binnen de EC. Mijn werk/research is de rol/plaats van technologie – lees IoT – binnen de gebouwde (woon) omgeving. Enkele maanden geleden sprak ik buiten ons land met een groepje (interieur)architecten/vormgevers toen een van hen opmerkte: ‘dat internet of things gaat wel weer over’. Wie dat anno 2016 beweert steekt de kop in het zand: het IoT is er en zal niet meer verdwijnen. Het gaat er niet om – afgezien van een zeer noodzakelijk theoretisch/ethisch discours - wat wij als interieurarchitecten er van vinden; van belang is hoe wij binnen ons vakgebied hiermee omgaan. De (interieur)architect houd zich bezig met de aanpassing van de (gebouwde) ruimte ter wille van menselijke behoeften: wij allen wonen, werken, etc. en we zijn het moment voorbij dat we nog konden kiezen of we deel uitmaakten van deze netwerksamenleving.

 

Ter herinnering en illustratie; de personal computer werd in 1983 geïntroduceerd in ons land door IBM, het Internet of Things werd ‘benoemd’ door Kevin Ashton in 1998. Het Amerikaanse onderzoeksbureau Gartner berekende dat er rond 2020 ca. 20 miljard objecten/dingen verbonden zullen zijn met het Internet, met een verdere jaarlijkse stijging van ca. 30%. Verder vooruitkijkend komt men op ca. 50 miljard in 2030. Afgezien van hoe exact/voorspelbaar deze ontwikkelingen zijn: in een geschiedkundige oogwenk heeft de digitalisering de wereld blijvend veranderd. Dit roept vele vragen op en eindelijk ook steeds meer vragen m.b.t. de ethische, menselijke en sociale waarden; wij kunnen ons als interieurarchitecten niet afwenden van deze ontwikkelingen. Met de digitalisering veranderd onze samenleving, onze gebouwde omgeving en dus ons gedrag daarbinnen; een genetwerkte – gebouwde – omgeving betekent een omgeving als interface. Veel van de consequenties zijn nog niet duidelijk; we stellen vaak de verkeerde – of geen – vragen. Als de vraag gesteld tijdens de recente bijeenkomst gaat over ‘kansen’ is dat een tamelijk timide en/of passieve houding: als interieurarchitecten houden wij ons bezig met wat vooral de komende jaren belangrijke vragen zijn t.a.v. onze (woon)omgeving. Denk slechts aan de scheiding publieke/private ruimte die steeds meer onder druk komt te staan, juist door de technologische ontwikkelingen en het gebrek aan inhoudelijke discussie over de digitale implicaties voor m.n. ons wonen. Technologie maakt een integraal onderdeel uit van onze samenleving maar kan en mag nooit het enige antwoord zijn op een ethisch/menselijk probleem.

Voor de duidelijkheid; ik suggereer uiteraard niet dat er door interieur-architecten, binnen dan wel buiten de BNI, geen aandacht wordt besteedt aan de toenemende technologische/netwerk ontwikkelingen. Tijdens mijn recente lezing voor het innovatie-platform Booosting bleek echter wel dat deze thematiek (nog) niet wijdverbreid is maar terdege van invloed is op het vakgebied; dus veel vragen en vooralsnog te weinig adequate antwoorden. Wanneer ik binnen de werkgroepen van de EC discussieer is dat met vooral bedrijven en instellingen; vrijwel niet met collega-(interieur)architecten. Ons werkterrein en de periferie daarvan zijn te belangrijk om over te laten aan de markt/industrie; ons metier houdt zich vooral bezig met een belangrijke menselijke waarde; ons huis. Als wij ons vak in deze serieus nemen dan zullen we ons inhoudelijk moeten verdiepen en uitspreken over achtergrond, ontwikkeling, inhoud en invulling. Tijdens de discussie op 30 november is het woord digitalisering niet eenmaal gevallen; met het oog op de toekomst is dat een omissie.